Universiteit Gent,

Faculteit Letteren en Wijsbegeerte

Otto, Rudolf: 1869-1937

Gregory Alles geeft in zijn artikel 'Rudolf Otto and the Politics of Utopia' aan dat ook Otto moet gesitueerd worden in het begin van de 20ste eeuw waar er een enorme belangstelling voor het irrationele te zien is. In tegenstelling tot Freud, Durkheim en Weber echter stelt Otto zichzelf niet tot taak het irrationele te bestuderen en te gaan verklaren om op die basis een minder naieve vorm van het Verlichtingsproject te kunnen behouden. Hij probeert daarentegen in zijn wetenschappelijk werk het irrationele of beter gezegd, het nonrationele, opnieuw een plaats te geven en probeert het op een eigen manier te koppelen aan het morele. Deze keuze staat diametraal tegenover de optie die Freud, Durkheim en Weber kozen. Het werk waarmee Otto internationaal zijn reputatie vestigde, is het in 1917 gepubliceerde 'Das Heilige', in 1923 in het Engels vertaald als 'The idea of the Holy'.

Das Heilige

Otto beschrijft in 'Das Heilige' de religieuze ervaring als een unieke ervaring, met een unieke inhoud en een eigen betekenis: Hiermee zet Otto het werk van Schleiermacher verder die in zijn Speeches on Religion to Its Cultural Despisers eveneens de uniekheid van religie verdedigde tegen de naturalisten die religie wilden gelijkstellen met ethiek of het wilden reduceren tot loutere cognitieve, psychologische en sociale fenomenen. Door de autonomie van religie sterk centraal te stellen, positioneert Otto zich lijnrecht tegenover de in zijn tijd sterk aanwezige reductionistische visie op religie. Otto wil in 'Das Heilige' de term 'het heilige' opnieuw in zijn oude (religieuze) betekenis herstellen.

Een essentieel kenmerk van 'het heilige' is volgens Otto dat het het rationele overstijgt, het blijft onuitsprekelijk, onzegbaar. Maw. religie heeft voor Otto irrationele of niet-rationele aspecten, te begrijpen niet als anti-rationeel maar als supra-rationeel. Maar, hoewel Otto het niet-rationele aspect beklemtoont, kan hij niet zomaar als een louter irrationalist beschouwd worden. Hij tracht in zijn werk juist het rationele en het morele te behouden door het te funderen op het niet-rationele of irrationele. 
Religie en 'het heilige' hebben voor Otto zowel rationele als niet-rationele elementen.
Zo bevatten religies ook theoretische en morele ideeën: hoe meer een religie ontwikkeld is hoe meer het rationele concepten gebruikt om over de transcendente realiteit (Otto stelt dit soms gelijk aan het buitengewone, i.e. onderscheiden van en niet beperkt door het materiele universum) of God te praten. Hieruit ontstaat een expliciete theologie zoals dit te vinden is in het Christendom, Islam ed.
Maar: religie is uiteindelijk niet afhankelijk van deze elementen. Eerder is het omgekeerde het geval: deze rationele componenten komen uiteindelijk voort uit de ervaring van een object dat enkel kan gevat worden (men kan er enkel een besef van krijgen) in een niet-rationele 'unieke en oorspronkelijke gevoelsresponse' dat de kern uitmaakt van alle religies: maw. het numineuze besef van het heilige.
Otto erkent de plaats en de validiteit van het rationele denken in religie voor zover het verbonden is aan religie's niet-rationele kern.

Doordat de discussie van religie in het westen zowel door ongelovigen als gelovigen echter voornamelijk in rationele termen gebeurde, zonder het irrationele element in rekening te brengen, heeft men een misvormd beeld op het onderwerp en krijgt men intellectuele discussies die niets met de realiteit te maken hebben. Pogingen religie louter op grond van de rede, met filosofische of wetenschappelijke wapens te verdedigen zijn gedoemd te falen, omdat men door de keuze enkel rationele argumenten te gebruiken de essentie van religie ontkent. Dezelfde intellectualistische en rationalistische interpretatie van religie is eveneens overheersend in de studie van religie. Men probeert steeds het onderwerp te bestuderen in termen van religieuze ideeën en concepten. Het unieke in de religieuze ervaring wordt hierdoor uit het oog verloren.

Een louter rationele taal is dus niet geschikt om over het religieuze te praten. Een aangepaste supra-rationele taal is daarvoor nodig. Om uitdrukking te geven aan het religieuze gebruiken gelovigen, religieuze denkers een niet-letterlijk te begrijpen taal, een metaforische taal of soms zelfs een geheime of voor geen mens begrijpelijke taal gegeven door de goden. Otto zelf lanceert in zijn studie over 'het Heilige' enkele nieuwe aan het latijn ontleende termen. Ook deze termen zijn niet letterlijk te nemen. Hij spreekt over 'ideogrammen': de alledaagse, gewone betekenis van de term moet beschouwd worden als een analogie van datgene wat Otto werkelijk wil aanduiden. Met andere woorden, de termen dienen als aanwijzingen of als symbool voor iets anders zonder dat dit laatste in duidelijke rationele concepten wordt uitgedrukt. (voor voorbeelden zie verder)
 

'Het Heilige' is een basisterm in religie. Met andere woorden, 'het Heilige' is een religieuze term (niet zoals bij Durkheim een wetenschappelijke analytische term) en volgens Soderblom, een collega van Otto, is deze term zelfs essentiëler in religie dan de term 'God'. Een religie zonder God of het goddelijke is mogelijk (zoals het Boeddhisme), een religie zonder 'het heilige' is geen religie. Religie draait niet rond het loutere bestaan van een Goddelijk wezen, maar rond de kracht, de heiligheid van dit wezen.
Otto verkiest deze term boven:

1.  God of het goddelijke: deze termen zijn niet bruikbaar voor alle religies
2. Het transcendente, het absolute, de ultieme realiteit: deze zijn te abstracte termen
3.  Het sacrale: deze term suggereert een beschrijving van hoe de mens iets religieus evalueert, terwijl 'het Heilige' verwijst naar een realiteit die meer op zichzelf staat.
In tegenstelling tot de andere termen (sacraal/profaan, absoluut/relatief, goddelijk/menselijk, transcendent/werelds, alledaags) heeft 'het Heilige' geen tegengestelde.

Problematisch is echter dat de term 'heilig' zijn oorspronkelijke betekenis is kwijtgeraakt doordat men het is gaan gebruiken ter aanduiding van het moreel goede (in negatieve zin bv. 'een heilig boontje'). Voor Otto zijn religie en moraliteit nauw verbonden, maar ze vallen niet samen. De notie 'het Heilige' onderscheidt zich van het louter rationele doordat het een specifiek element of 'moment' bevat dat geheel onuitsprekelijk is. Otto spreekt van een 'overschot van betekenis' en stelt zich in zijn boek tot doel om dit onuitsprekelijke in de mate van het mogelijke zodanig te suggereren aan de lezer dat hij/zij het zelf aanvoelt.

Om de oorspronkelijke betekenis van deze term, los van de morele/rationele connotaties duidelijk te maken, lanceert Otto een nieuwe term: het numineuze of als adjectief numineus
De term is afgeleid van het Latijnse woord numen (een goddelijke geest of een welbepaalde macht die de Romeinen waarnamen in de natuur). 
Met deze term wil Otto het surplus aan betekenis (Überschuß) dat noch conceptueel kan worden verklaard noch via de taal kan worden weergegeven toch aangeven: De term 'een numineuze geestestoestand' duidt op een bijzonder bewustzijn (gevoel-response) van de aanwezigheid van god(delijkheid), op een gevoel dat een geschapen wezen heeft wanneer hij/zij zich ondergedompeld voelt in zijn eigen nietigheid in contrast met een alomtegenwoordige macht. 
Dit numineuze is sui generis (wordt ervaren als iets dat objectief en buiten het zelf bestaat) en kan dus niet worden gedefinieerd en beargumenteerd of aangeleerd. Een ervaring van het transcendente, hoe indrukwekkend het ook is voor de persoon die het ervaart, kan niet worden overgedragen aan een persoon die niet vertrouwd is met dergelijke ervaringen. Het numineuze kan enkel worden begrepen als men er zelf een existentiële ervaring van heeft gehad. 

Otto beschrijft het numineuze aan de hand van één zelf geconstrueerd begrip 'creature-feeling' en drie latijnse concepten (om aan te geven dat de betekenis niet louter te herleiden is tot wat we normaal onder deze termen verstaan): Het numineuze roept een gevoel van 'een schepsel te zijn' op en van het zich bewust zijn van een onzegbaar en boven alle schepsels verheven mysterie (cfr. het 'Ganz andere'), dat tegelijk tremendum is (ontzagwekkend, overweldigend) en fascinans (we willen ermee communiceren, het onkenbare kennen). 
Opmerking: Voor Otto deze facetten van het numineuze bespreekt, nodigt hij de lezer uit om zijn/haar geest op een moment van diep-gevoelde religieuze ervaring te richten, zo weinig mogelijk beperkt door andere vormen van bewustzijn, om zijn beschrijving te kunnen volgen. Iedereen die daar niet in slaagt, die niet zulke momenten ervaren heeft, wordt opgeroepen niet verder te lezen, omdat het niet gemakkelijk is met kwesties van religieuze psychologie bezig te zijn voor iemand die zich geen intrinsieke religieuze gevoelens voor de geest kan halen. (Otto, 1923:22)

1. 'creature-feeling' of 'creature-consciousness':
  
Met deze term wil Otto de ervaring beschrijven die gelovigen hebben in hun aanbidding of verering van het goddelijke, het numineuze.
Schleiermacher heeft erop gewezen dat een belangrijk element in die ervaring het 'gevoel van afhankelijkheid' is. Om echter te vermijden dat men deze uitdrukking in zijn natuurlijke, alledaagse betekenis begrijpt, vindt Otto het nodig een nieuw begrip te lanceren. 'Creature-feeling' verwijst niet naar het wereldlijke gevoel van persoonlijke ontoereikendheid en onmacht dat onder invloed van omstandigheden of omgeving kan optreden. Het is het gevoel dat een geschapen wezen ervaart, wanneer het overstelpt wordt door zijn eigen nietigheid tegenover datgene wat boven alle schepsels staat, een overweldigende, absolute macht. Het is het gevoel slechts uit stof en as te bestaan (Abraham), slechts wormen te zijn die niet in staat zijn Hem te bevatten die zelfs niet met hogere krachten te bevatten is (Chrysostomos). 
==> Hiermee is geen conceptuele beschrijving van het gevoel gegeven: de aard van deze overweldiging zelf kan niet direct aangegeven worden, men moet het zelf direct ervaren hebben om het te begrijpen.
- Dit gevoel heeft een intrinsieke qualiteit die in het gewone gevoel van ontoereikend en machteloos zijn niet terug te vinden is. Er is sprake van meer dan een louter gradueel verschil. Er is een zekere analogie tussen de twee, maar iemand die de ervaring van 'creature-feeling' kent, weet dat deze ervaring niet te herleiden is tot een extreme vorm van de gewone ervaring van afhankelijkheid. Het is tevens verschillend van de ervaring of het bewustzijn dat het resultaat is van een denkproces waarin men op basis van bepaalde gegevens tot de conclusie komt dat we zouden gecreëerd zijn door een creator. Dit laatste geeft enkel een intellectueel geloof dat op basis van rationele gronden aangenomen wordt. 
- 'Creature-feeling', het gevoel totaal afhankelijk en louter maar een schepsel te zijn, heeft slechts één bron: de ervaring van het numineuze brengt dit gevoel met zich mee.---
Het numineuze zelf wordt door de gelovige aangevoeld als objectief en buiten zichzelf. Met de termen Mysterium, Tremendum, en Fascinans probeert Otto nu de aard van dit numineuze zelf te beschrijven door via analogieën met gewone ervaringen aan te geven op welke wijze het zich manifesteert, welke gevoelens het opwekt in de menselijke geest. Mysterium, tremendum, majestas, energie, ... zijn voor Otto echter geen concepten die het numineuze beschrijven. Hij spreekt over ideogrammen: een analoge notie genomen uit de sfeer van het gewone, het natuurlijke, dat de echte betekenis illustreert, zonder het echter volledig weer te geven.

2. Het substantief 'mysterium':

Mysterium staat in feite voor wat Otto begrijpt als het supra-rationele. Het is een 'negatieve' beschrijving van het numineuze, mysterium duidt aan wat verborgen en esoterisch is, dat wat buiten het voorstelbare, het begrijpelijke is.
In de natuurlijke zin van het woord betekent het louter een geheim of mysterie dat volledig vreemd voor ons is.
In de religieuze zin van het woord 'mysterium' zoals Otto het gebruikt, betekent het echter de 'geheel andere' ('Ganz andere'), dat wat de sfeer van het gewone, het verstaanbare, het kenbare en het vertrouwde overstijgt, dat wat onkenbaar is via het verstand en niet uit te drukken is in menselijke taal of andere uitdrukkingswijzen. 
De gevoelsreactie die het numineuze als mysterium oproept is dat van stupor: sprakeloze verwondering, een verbazing die ons verlamt, een absolute verbazing.
Dit mysterium kan ook worden aangegeven via termen zoals 'transcendent' en 'bovennatuurlijk': dit zijn eveneens 'negatieve' beschrijvingen die wijzen op het tegengestelde van het natuurlijke, het aardse. Maar deze negatieve beschrijving op conceptueel niveau gaat samen met een positievegevoelsinhoud, die zo positief en zo speciaal van aard is dat het niet in duidelijke conceptuele taal te vangen is. Toch karakteriseert Otto het numineuze ook op positieve wijze: het heeft een duaal karakter, is tegelijkertijd het object van grenzeloos ontzag en grenzeloze bewondering, tegelijk tremendum et fascinans.

3. Tremendum:

De term tremendum is afkomstig van het Latijnse woord 'tremor' (vrees). Otto gebruikt de term echter via een analogie om te verwijzen naar een specifieke gevoelsrespons die volledig verschilt van ons gewone begrip van angstig zijn. 
- Het gaat om een gevoel van (1) ontzag en (2) 'majestas' of het gevoel overweldigd te worden, het gevoel dat je overmand wordt door iets absoluut superieur, absoluut anders en (3) het aanvoelen van een energie.

(1) Ontzag:
Doordat de term niet samenvalt met gewone vrees of angst, kan Otto een aantal theorieën, die de oorsprong van religie louter zien in de creatie van goden door de primitieve mens om greep te krijgen op zijn angsten voor het ongekende, opzij schuiven. Religie is voor Otto niet een eerste poging om vreemde fenomenen te verklaren. Evenmin is religie gedoemd om door wetenschap vervangen te worden. De ervaring van ontzag bij de primitieve mens blijft doorheen de geschiedenis aanwezig als een permanente ondergrond zelfs in de meest ontwikkelde religies.
Een analogie voor deze ervaring van vrees en ontzag is volgens Otto te vinden in de reactie die men heeft op spookverhalen die hun doel bereiken. Deze spookverhalen zijn een survival van eerdere en minder ontwikkelde vormen van religieus ontzag. De reactie die men heeft op dergelijke verhalen is qualitatief verschillend van het gewone gevoel van schrik of angst en behoort tot dezelfde categorie als het gevoel van religieus ontzag. Het is daardoor een betere aanwijzing voor dit laatste.

(2) Majestas:
Het numineuze wordt ervaren als iets overweldigends, iets 'majestueus', waarin men zich wil verliezen. De tegenzijde van deze ervaring is 'creature-feeling', een zelfdepreciatie en annihilatie van het zelf als een loutere illusie.

(3) Energie: 
Naast ontzag en een gevoel van overweldiging roept het tremendum-aspect van het numineuze in de betrokkene ook de ervaring van een sterke energie op. Het is dit element dat het meest tegenover de rationele speculatie van de 'filosofische God' staat. Aangezien het gevoel van energie naar een 'levende' God verwijst, wordt het door filosofen als antropomorf afgedaan. Otto is echter van mening dat in deze interpretatie geen rekening wordt gehouden met het non-rationele element in religie en met het analoge karakter van beschrijvingen ervan.---

 4. Fascinans:

Het numineuze is eveneens fascinerend d.w.z. het heeft een sterke aantrekkingskracht en geeft tevens een gevoel van opperste (geluk)zaligheid. 
Tremendum en fascinans vormen het duale karakter van de numineuze ervaring; een vreemde, schijnbaar paradoxale harmonie van contrasten. 
In het gevoel van fascinatie wordt het mysterium ervaren in zijn positieve essentie, als iets dat binnenin de mens een zaligheid doet opborrelen die buiten elke vergelijking valt, niet te vatten door taal en rede. We kunnen het enkel kennen via een directe en levendige ervaring. Een voorbeeld van het fascinatie-begrip is de zaligmakende visie op God in de christelijke verlossingsdoctrine, de eschatologische belofte van het komende Rijk Gods of de transcendente gelukzaligheid van het paradijs. Het komt dus naar voor als een vreemde en machtige kracht die de betrokkene voortstuwt naar het volmaakt goede.

De termen 'het heilige' en 'het numineuze' moeten het mogelijk maken om te verwijzen naar de bron of het object van religieuze verering als een voorbeeld van algemeen-menselijke religiositeit, zonder zelf gebonden te zijn aan de bepalingen of praktijken van een specifieke gemeenschap en traditie, waardoor het volgens Otto bruikbaar is voor een vergelijkende en historische studie van religie.

Een geschiedenis van religie is voor Otto een geschiedenis van het ervaren van het numineuze, waarin hij stadia onderscheidt. De ontwikkeling van religie is voor hem een opeenvolging  van cultuurmomenten die nieuwe aspecten tot leven wekken van wat reeds in potentie aanwezig was. Dezelfde structuur van mysterium tremendum et fascinans regeert deze ontwikkeling in elk van zijn fases en is het fundament van religieuze ervaring altijd en overal.  Deze visie op de geschiedenis van religie hangt samen met een belangrijke stelling: de religieuze ervaring geeft vorm aan de religieuze traditie, niet omgekeerd. 
Het laagste stadium van het numineuze bewustzijn is het stadium van 'daemonische vrees'. Het gaat echter niet om een vulgaire angst voor duivels en boze geesten. 'Daemon' staat hier niet in oppositie tot het goddelijke, maar moet volgens Otto als pre-goddelijk gezien worden, als het numen in een lager stadium waaruit het goddelijke of god gradueel in meer verheven vormen voortkomt. Deze fase heeft na-effecten in spookverhalen ed. 
Zijn centrale stelling voor een geschiedenis van religie is dat 'religie zelf aanwezig is bij haar eigen begin': Religie, niets anders, is werkzaam in de vroegste stadia van mythische en demonische ervaringen. Er is een graduele opkomst en een parallel lopende bewustwording van de verschillendeaspecten van het numineuze. Het numineuze ontvouwt zijn volledige inhoud in een langzaam gradueel proces. Dit gebeurt via een ontwikkeling waarbij natuurlijke ervaringen via de wet van associatie analoge religieuze gevoelens in het bewustzijn oproepen en omgekeerd: hierbij worden geleidelijk aan valse analogieën en gratuïte associaties verworpen en wordt de religieuze ervaring uitgezuiverd.Doordat het in vroegere stadia slechts onvolledig ervaren werd is het niet onbegrijpelijk volgens Otto dat religieuze denkbeelden en praktijken vrij bizarre en groteske vormen aannamen. 
(de wet van associatie van gevoelens: parallel aan de psychologische wet dat ideeën gelijkaardige ideeën uitlokken of aantrekken, hetzelfde zou volgens Otto gelden op het vlak van gevoelens. Dit betekent niet dat het ene gevoel aanleiding geeft en dus de oorzaak is van een ander gevoel, wel dat het een op zich staand, in potentie reeds aanwezig gevoel oproept via associatie of analogie)
Later vindt een tweede proces van ontwikkeling plaats, naast het meer en meer ontdekken van aspecten van het numineuze: schematizering/numinizering. Het numineuze non-rationele element wordt doordrongen met rationele elementen, het wordt gerationaliseerd, gemoraliseerd en gehumaniseerd. Of anders gesteld, het rationele, het morele raakt doordrongen van het numineuze. Dit vindt vooral binnen de christelijke religie zijn beginpunt bij Mozes. Dit wil zeggen, er wordt een ethische input aan het numineuze verbonden waardoor het numineuze het 'heilige' wordt in de volle zin van het woord. Door deze combinatie van het non-rationele met het rationele is de religie van de Bijbel, vooral van het nieuwe testament, voor Otto een echte universele wereldreligie en superieur ten aanzien van bevoorbeeld de Islam waarin Allah louter numen zou zijn. Bovendien is het superieur ten aanzien van religieuze visies die louter het rationele benadrukken. Binnen de religie van de Bijbel wordt het rationele door het non-rationele gedragen, het rationele en ethische situeren zich binnen de context van het non-rationele. Het gaat om een 'levende' God, niet louter om de 'God der filosofen'.--

Niet-wetenschappelijkheid

A) Otto is anti-reductionistisch:

Otto deelt met Schleiermacher de stelling dat religie iets autonoom is en dat het dus niet tot een andere sfeer, of tot iets louter sociaal of psychologisch te herleiden is. Argumenten voor die autonomie vindt Otto, juist zoals Schleiermacher, in de unieke niet-rationele bron van religie. Otto is zoals Schleiermacher van mening dat religieuze uitdrukkingen noch een realiteit of een ervaring representeren, noch deze bevestigen, maar dat ze een onmiddellijke dimensie van religieuze ervaring uitdrukken.
==>De verklaring voor de oorsprong van religie moet gezocht worden in deze specifieke non-rationele bron. Alle verklaringen van de oorsprong van religie in andere termen zijn reductionistisch. Hiermee stelt Otto zich radicaal op tegen naturalistische wetenschappers zoals Hume, Tylor enz. --> dit brengt tevens met zich mee dat Otto zich verzet tegen verklaringsschema's waarbij de ene vorm van religie voortkomt uit de andere, voor hem is religie universeel en niet afhankelijk van geschiedenis, maar komt het door de eigen goddelijke kracht tot stand.

B) Otto's visie op religie vertoont dezelfde incompatibiliteit als deze van Schleiermacher.

Otto steunt op een incommensurabiliteit tussen het natuurlijke en het numineuze om voor autonomie te argumenteren. Dit betekent echter dat hij in zijn argumentatie bij de lezer een overgang moet bewerkstelligen tussen twee verschillende sferen, een overgang van de natuurlijke realiteit naar een realiteit van het 'geheel andere' die niet éénduidig in de taal te beschrijven of uit te leggen is.
Met andere woorden, juist zoals bij Schleiermacher, is bij Otto het numineuze preconceptueel, het gaat de taal en het denken vooraf en is bovendien onafhankelijk van taal en denken. Bij Schleiermacher was dit een cruciaal argument om voor autonomie te pleiten. Verwerpt men deze stelling, zoals Proudfoot, dan vervalt het hele argument, zowel bij Schleiermacher als bij Otto. Ook voor Otto kan men dus stellen dat wat hij als een universeel gegeven schetst, in feite slechts een traditie-specifiek artefact is.
Hoewel het numineuze preconceptueel is, laat Otto langs de andere kant toch toe dat andere 'natuurlijke' ervaringen een cruciale rol spelen in het opwekken en het uitdrukken van het numineuze. In zijn geschiedenis van religie spreekt Otto over de wet van associatie waardoor natuurlijke ervaringen bij de primitieve mens analoge gevoelens oproept, waaronder religieuze. Het is via deze weg dat de primitieve mens langzaam aan met het numineuze leert kennen. Otto gebruikt de metafoor van biologisch materiaal dat onder een microscoop slechts zichtbaar wordt door een kleurstof toe te kennen. Op dezelfde wijze wordt het numineuze via associatie met 'natuurlijke ervaringen' zichtbaar. Maar de zichtbare werkelijkheid en de niet-rationele ervaring blijven voor Otto onafhankelijk van elkaar en incommensurabel. De woorden die gebruikt worden om het numineuze uit te drukken zijn louter een soort kleuring en zijn inadequaat ter beschrijving van de kracht. Dit brengt hem ertoe te stellen dat men al eens een ervaring van het numineuze moet gehad hebben om te begrijpen wat de woorden proberen uit te drukken.
Dit laatste toont dat ook Otto zelf worstelt met een incompatibiliteit: het numineuze is preconceptueel, toch hanteert hij allerlei concepten om de ervaring van het numineuze als een aparte, specifiek religieuze ervaring aan te duiden. Hij kent dus hetzelfde probleem als Schleiermacher.
Ook bij hem is dus de relatie tussen de taal en het besef van het numineuze problematisch. Otto wil argumenteren dat het gevoel onafhankelijk is van de taal en dat de taal slechts een expressie is van dat besef. Keert men deze relatie om
dan volgt Proudfoots conclusie.

C) Doordat het numineuze preconceptueel is en dus niet in religieuze taal te beschrijven is, maar slechts op vrij inadequate wijze uitgedrukt wordt, stelt Otto in Das Heilige dat hij slechts spreekt voor hen die een dergelijke religieuze ervaring bij zichzelf erkennen.

Men kan dus ook volgens Otto de religieuze ervaring slechts beschrijven, bestuderen en begrijpen van binnen uit, als men zelf een religieuze ervaring heeft gehad en men dus tot de groep der religieuzen behoort. Die ervaring kan volgens Otto, juist zoals bij Schleiermacher, niet aangeleerd worden, evenmin kan men het analyseren en verklaren.
Men kan enkel via retorisch taalgebruik de lezer begeleiden in het zoeken naar dergelijke gevoelens. Maw. De lezer is een insider of moet tot insider gemaakt worden.
Op zich is evocatief taalgebruik uiteraard geen probleem. Het wordt echter problematisch wanneer ook de theoretische analyse evocatief is. Dit is bij Otto het geval:

Zijn gebruik van de metafoor van 'kleuring' waarbij iets slechts zichtbaar wordt via het toevoegen van iets dat waarneembaar is, leidt de aandacht naar het onzichtbare dat niet langer wordt ervaren als een afwezigheid, maar als een betekenisvolle aanwezigheid: er is dus sprake van evocatie niet enkel in de beschrijvingen maar tevens in de theoretische analyses van de religieuze ervaring. 
Otto beklemtoont wel dat de ontleende woorden louter kleur geven en als dusdanig niet geschikt zijn om de kracht die erachter schuilgaat, weer te geven. Maar wat Otto niet ziet of ons niet wil laten zien, is de manier waarop zijn eigen taal(gebruik) ons reeds volledig op deze 'onuitsprekelijke' kracht richt. Wanneer hij ons dirigeert om de analogie uit te wissen en dus als louter inadequate inkleuring te zien, worden we ertoe aangespoord om in het onzichtbare dat achter het zichtbare schuilgaat de energie van de numineuze kracht te voelen waardoor de leemte achter het zichtbare wordt opgevuld met een specifieke betekenis. We gaan dus m.a.w. een betekenisvolle aanwezigheid voelen i.p.v. een afwezigheid. 
Vermits het Otto's taak als gids is de lezer te helpen om het gevoel van het numineuze uit andere regionen van de geest naar boven te halen, moet Otto garanderen dat we wat in de geest wordt opgewekt correct identificeren, dat wat we ervaren niet 'niets' is, maar juist het numineuze. Otto werpt zichzelf hier dus op in de tweeledige rol van 'Opwekker' en 'Analyst'.
 
Ook Otto is zich duidelijk bewust van het feit dat hij genoodzaakt is retorische taal te hanteren die de lezer in contact moet brengen met zijn religieuze ervaring. Maar, juist zoals voor Schleiermacher is dit voor hem een kwestie van katalyse, niet van constructie of creatie. De numineuze ervaring wordt slechts wakker geschud, er is geen activiteit van de betrokkene zelf in het tot stand komen van de ervaring, het gaat volgens hem slechts om een passieve erkenning.

'This numinous mental state is perfectly sui generis and irreducible to any other; and therefore, like every absolutely primary and elementary datum, while it admits of being discussed, it cannot be strictly defined. There is only one way to help another to an understanding of it. He must be guided and led on by consideration and discussion of the matter through the ways of his own mind, until he reaches the point at which the numinous' in him perforce begins to stir, to start into life and into consciousness.' (Otto, 1959:21)

Bibliografie
Otto, Rudolf (1959), The Idea of the Holy. Penguin Books.(translated by John W. Harvey)
Poland, Lynn (1992), 'The Idea of the Holy and the History of the Sublime', The Journal of Religion, 72, pp.175-197.
Schlamm, Leon (1992), 'Numinous Experience and religious Language', Religious Studies, 28, pp.533-551.

RUDOLF OTTO