Twee keer achter elkaar noemt Trouw de Amerikaanse psychologe Helen Schucman. Eerst in het artikel van Harry Kuitert (13 oktober) en de dag erna in de bespreking van Van Harskamps boek over nieuwe religiositeit.
Als student theologie en levensbeschouwing heb ik de werken van Schucman bestudeerd en ik concludeer dat in het eerste artikel Schucman geen recht wordt gedaan en dat Anton van Harskamp haar in een citaat zelfs onrecht aandoet: 'Tegelijkertijd leert Schucman dat we in een krankzinnige wereld leven, waar we zo aan vastzitten dat we ons er niet van kunnen bevrijden. We zullen het heil nooit bereiken. Ik kan dus niet anders dan tekort schieten. Dit zorgt voor een gigantisch schuldgevoel.'
Helen Schucman bouwt voort op het gedachtegoed van Freud. Volgens haar is schuld de optelsom van alle negatieve gevoelens die we ooit met betrekking tot onszelf gehad hebben, en dat deze schuld grotendeels onbewust is. Psychologisch gezien is het dan onvermijdelijk dat we vinden dat we gestraft moeten worden. Omdat de oorsprong van schuldgevoelens in vroegere ervaringen ligt, beschouwt Schucman deze niet als een hedendaagse realiteit maar als een spook uit het verleden, als een illusie. In haar boekje 'Psychotherapie: Doel, proces en praktijk' schrijft zij: 'Psychotherapie is noodzakelijk opdat iemand hun werkelijkheid (van deze illusies) in twijfel kan gaan trekken.' En zij waarschuwt, net als Kuitert, voor de valkuil de ene illusie te ruilen voor een andere. Wel schrijft ze dat in therapie het ideale resultaat zelden wordt bereikt. Dit is, dunkt me, iets anders dan de stelling van Van Harskamp dat we volgens Schucman alleen maar tekort kunnen schieten, met het daarbij behorende schuldgevoel. Schucman zet de beperkingen van psychotherapie helder neer door te stellen dat therapie ons kan helpen van onze trauma's af te komen, maar dat de kwestie van de existentiŽle bestaansangst voorbij de psychotherapie ligt. Aan deze problematiek heeft zij haar magnum opus gewijd, waarin vergeving van jezelf en de medemens centraal staat. Gebruikmakend van de christelijke symboliek stelt zij de dagelijkse keus tussen de doornenkroon (zonde) en de blanke lelie (vergeving) hierin centraal.

Nu Harry Kuitert. Terug bij Friedrich
Schleiermacher, aan wie hij de titel van zijn laatste boek heeft ontleend, en Rudolf Otto (Das Heilige) vindt hij inmiddels dat religie in het gemoed haar plaats heeft. En in dezelfde ademtocht noemt hij Schucman een 'buitenplaats', daarmee bedoelt hij niet een buitenplaats in het theologisch debat maar een echte buitenspelpositie: zij doet gewoon niet mee. Begrijpend dat in een krantenartikel niet alles onderbouwd kan worden ben ik in zijn boek op zoek gegaan naar de motivatie van deze stelling. En dan stuit ik op een eigenaardige bewijsvoering. Om zijn stelling kracht bij te zetten verwijst hij naar de websites die aan haar zijn gewijd: 'Lees maar na. Voor mij beslist dus de inhoud van al die doorgevingen.'
Dr. Helen Schucman was werkzaam in de zestiger en zeventiger jaren; de woorden internet en website kende zij niet. Kuitert heeft dus alleen kennis kunnen nemen van de uitingen van haar uitgever en van aanhangers en/of bestrijders. Kuitert neemt hier dus secundaire bronnen als uitgangspunt. Zo gaan academici toch niet met elkaar om?
Volgens Harry Kuitert moeten de christenen erkennen dat dat zij het geloof van de joden hebben geleerd. Schucman, van joodse afkomst, zet in haar werk een compleet nieuwe christelijke dogmatiek neer. Geen dogmatiek meer gebaseerd op de leerstellingen van Anselmus e.a., maar voortbouwend op de werken van Freud. Met name zijn 'Droomduiding' en andere werken over religieuze projectie zijn haar inspiratiebron. Maar ook Leviticus met zijn verhaal over de zondebok, in onze tijd ook uitgewerkt door Renť Girard.
Hoewel Kuitert Schucman afdoet als 'buitenplaats' lijkt zijn hoofdstuk 'Religie en behoeften' door haar geÔnspireerd te zijn. Het is boeiend om te zien hoe Schucman vanuit de psychologie en Kuitert vanuit de theologie tot dezelfde conclusies komen. Het is vaker voorgekomen dat mensen vanuit compleet andere tradities tot dezelfde ideeŽn komen. De tijdgeest is er rijp voor, wordt er dan gezegd.
Zijn houding tegenover Schucman is ook in strijd met een motto dat hij in zijn boek gebruikt: 'Every age has its own brand of christianity'.
Volgens Kuitert kan religie een waardevolle vorm van hulpverlening zijn, maar hij waarschuwt voor de subjectiviteit als einddoel: 'rust in de psychische tent' is voor hem geen einddoel. Zo ook niet voor Schucman. Zelfs als ze er niet in geslaagd zou zijn een nieuw religieus model neer te zetten is het haar in ieder geval wel gelukt om bij velen (hier kunnen de door Kuitert gewraakte websites wel als bron dienen) rust in de psychische tent te brengen. Geen slecht resultaat voor een psycholoog.
Of Helen Schucman ook geslaagd is als profetes van een hernieuwde christelijke dogmatiek weet ik niet. Volgens Otto is een profeet 'degene die de geest als het vermogen van 'de innerlijke stem' en als het vermogen van de devinatie en, door middel van beide, als religieuze productiekracht bezit.' Rudolf Otto besluit Das Heilige aldus: 'Boven deze trap van de profeet (...) staat hij, die enerzijds de geest in volheid bezit en die anderzijds tegelijk zelf in persoon en werk wordt tot het voorwerp van de devinatie van het heilige, dat in de verschijning treedt. Deze is meer dan profeet. - Hij is de Zoon.' Schucman besluit haar boekje over psychotherapie zo: 'Jij was verloren in de duisternis van de wereld tot je om licht vroeg. En toen zond God Zijn Zoon om jou dat te geven.' Ik concludeer dat Schucman een hedendaagse praktische invulling geeft aan het werk van Otto. De werken van beide schrijvers beschouw ik als hoogtepunten van de religieuze literatuur uit de vorige eeuw en zou daar graag vooraanstaande theologen als Kuitert over horen. Nu blijkt, dat Kuitert is teruggevallen op Rudolf Otto bevreemdt het me dat hij niet kan accepteren dat 'das Ganz Andere' zich blijkbaar ook volstrekt anders en vernieuwend kan openbaren.
Kuiterts uitgangspunt is de Macht waarvan de mens zich afhankelijk voelde. Hij legt dat prachtig uit. Maar zo doet Schucman:
'Jij ziet jezelf als kwetsbaar, broos en makkelijk vernietigbaar, en overgeleverd aan de genade van talloze belagers die machtiger zijn dan jij. Laten we onomwonden kijken hoe deze dwaling is ontstaan, want hier ligt het zware anker begraven dat de angst voor God - onbeweeglijk en vast als een rots - op zijn plaats lijkt te houden'.
De godsdienstwetenschapper Van den Boom constateerde dat '...Rudolf Otto's monumentale werk Das Heilige (1917) opmerkelijk genoeg wel in psychologische kring maar nauwelijks in theologische kring op serieuze wijze is besproken.' Ik constateer hetzelfde bij Schucmans monumentale werk.
Otto, Schucman en Kuitert zijn alledrie belangrijke vernieuwers van het christendom. Belangrijk omdat zonder vernieuwing alles afsterft. Belangrijk omdat hun logica intellectuele allure heeft. Belangrijk omdat zij geloof buiten denkkaders plaatsen en zo ontdoen van menselijke beperkingen. Maar vooral belangrijk omdat zij op fijngevoelige wijze uiting kunnen Ťn durven te geven aan universele waarden die ons allemaal raken.

Schucman is zeven jaar met haar hoofdwerk bezig geweest. Zeven jaar lang is zij twee uur vroeger op de universiteit verschenen om de tekst die zij de vorige avond had opgeschreven te redigeren en uit te typen. Ze heeft altijd een ambivalente houding gehad ten opzichte van haar werk en wellicht is dat een van de oorzaken van de mythologisering rondom haar persoon en werk.

Ik besluit met een knipoog naar de inleiding die Gerardus van der Leeuw in 1928 schreef voor de Nederlandse vertaling van Das Heilige:
Het behoort tot die boeken, die nimmer genoeg kunnen worden gelezen. Niet dat er geen bezwaren zijn. Die bezwaren worden, nu het werk al een zekere leeftijd begint te krijgen, steeds duidelijker gevoeld. Ze zijn van verschillende aard: methodologisch, psychologisch, theologisch, filosofisch. Maar naarmate ze duidelijker worden, hebben zij de glans van het werk eerder verhoogd dan verduisterd.

Dr. H.M. Kuitert (1924) was van 1965 tot aan zijn emeritaat in 1989 verbonden aan de theologische faculteit van de Vrije Universiteit te Amsterdam, sedert 1967 als hoogleraar met als leeropdracht Ethiek en Inleiding dogmatiek.


Ad Willems, emeritus hoogleraar dogmatiek in Nijmegen vertelt hoe hij in de jaren zestig het beeld van een persoonlijke god kwijtraakte, dat de traditie hem had aangereikt. Het was voor hem een bevrijding te ontdekken "dat ook de vrome (19e-eeuwer) Schleiermacher al in zijn eerste werk het persoon-zijn van god niet als een kardinaal leerstuk van het christelijk geloof beschouwde. Sterker nog: eigenlijk vat Schleiermacher de godheid op als een omschrijving van de totaliteit die hij Universum noemt. Nog meer verrast was ik bij hem te lezen, hoe hij de persoonlijke onsterfelijkheid van de mens afwees. Hij vond het zeer onreligieus om koste wat het kost het eigen individuele leven te willen behouden en niet te willen opgaan in het Universum."

Schleiermacher voelde diepe onvrede met de filosofie van zijn tijd en daagde die in zijn geschriften uit.

Helen SchucmanSitemap

Rudolf Otto

Schleiermacher

Helen Schucman

 

 

Liefdeslied (Love song, uit Personal Poems)

Mijn Heer, mijn Liefde, mijn Leven, ik leef in u.
Er is geen leven los van wat u bent.
Ik adem uw woorden, ik rust in uw armen.
Mijn zicht wordt geheiligd door uw enkele ster.

Ik herken niet altijd uw gezicht,
Of hoor uw Stem. Ik zie niet altijd
Dat de vreemdelingen die u stuurt boodschappers zijn
die u uitgekozen heeft om mij uw heilige Woord te brengen.

U bent dan de vreemdeling en ik ben dood
Voor de heilige dingen waar het Hemelse licht door schijnt.
De wereld die ik zie is een vijand voor me
Als ik vergeet dat mijn liefste Liefde U is.

U vergeten is mezelf vergeten,
Waarom ik ben gekomen en waarheen ik ga.
Mijn Heer, mijn Liefde, mijn Leven, laat me vergeten
Alles behalve de Liefde die U bent.

(Helen Schucman 1909-1981)

ongeautoriseerde vertaling

Reactie van Anton van Harskamp