Emmanuel Levinas:

De mens die vraagt: God, waar bent U? weet dat Gods antwoord er niet in bestaat mij te antwoorden, maar in het mij terugsturen naar de Ander, ook al is hij een stoorzender en bij uitstek ongewenst, de dakloze die mijn tapijt bevuilt.

Ethiek

Smal is de weg naar het leven
en breed is de weg naar de dood.
Twee wegen - en de mens op de tweesprong
verdwaalt, wanneer hij geen gids heeft
die hem bij de hand neemt en leidt;
want een mens moet zichzelf overwinnen
en alln is hij daar niet toe in staat.

De weg gaat daarom door de woestijn,
maar onderweg wordt het heil bevestigd
en is er liefde en vrede en recht.

Het doel en de weg vallen samen
voor wie de woorden van het leven in acht neemt.

J. Sperna Weiland

(Antwoord: gestalten van geloof in de wereld van nu.
Onder hoofdredactie van dr. J. Sperna Weiland; m.m.v. dr. Theo P. van Baaren, dr. M. A. Beek, dr. A. van Biemen e.a., Amsterdam, Meulenhoff, 1975:154.)



Trouw, 9 mei 1998

Auteur: E. Levinas
Uitgever
: Uitgeverij Ambo/Anthos
Rubriek
: Filosofie/godsdienst - Filosofie En Ethiek Algemeen

Levinas: Een tekst z waar als alleen fictie kan zijn
CHRIS RUTENFRANS

'Maar voorlopig leef ik nog, en voor mijn dood wil ik nog n keer tegen mijn God spreken, als een levend mens, als een eenvoudige levende mens, die de grote, maar ongelukkige eer had een jood te zijn.'

Deze zin staat in Josl Rakover wendt zich tot God, een harde en indrukwekkende tekst van ternauwernood twintig bladzijden. Ze is in 1946 in een paar dagen tijd geschreven door de jonge joodse journalist Zvi Kolitz op een hotelkamer in Buenos Aires en enige dagen later gepubliceerd in de Grote Verzoendag-editie van Di Jidisje Tsajtoeng, een plaatselijke joodse krant.

De tekst begint met de mededeling dat hij gevonden is in een fles in een van de runes in het getto van Warschau. Het zou in de laatste uren van de opstand van het getto geschreven zijn door de jood Josl Rakover die kort daarna vermoord zou zijn. Dit is een opzettelijke mystificatie. Kolitz was al in 1937 met zijn moeder, broers en zusters uit Litouwen gevlucht en via Itali naar Palestina gegaan. Die mystificatie is echter een eigen leven gaan leiden. Talloze malen is de tekst van Kolitz gepubliceerd zonder vermelding van zijn naam, aldus suggererend dat het hier een authentiek document betrof uit het Warschause getto. Dit gebeurde meestal zonder dat men beter wist, maar soms ook opzettelijk. Een Amerikaanse rabbijn die de tekst liet voordragen op Grote Verzoendag als 'een tekst uit het getto van Warschau', zei, toen hem gewezen werd op het bestaan van een levende auteur: 'Ik weet ook dat er een schrijver is. Maar zo ontroert het meer.'

Onlangs heeft uitgeverij Ten Have een tweetalige editie gepubliceerd met links de Jiddische tekst en rechts de Nederlandse vertaling. Hieraan is een commentaar toegevoegd van de Duitse journalist Paul Badde, waarin deze verslag doet van zijn ontdekking van de tekst en de daarop volgende speurtocht naar de auteur en naar de oorspronkelijke publicatie van het geschrift. Het verhaal leest als een thriller, compleet met een bijna ongeloofwaardig einde. Pas vijf jaar geleden kon Badde met zekerheid vaststellen dat Zvi Kolitz de auteur is. Uiterst toevallig krijgt hij een kopie te pakken van het oorspronkelijke stuk dat zich bevond in de bibliotheek van een joods-Argentijnse hulporganisatie in Buenos Aires. Een jaar later wordt het gebouw van die organisatie, waarin zich op dat moment 200 mensen bevinden, volledig verwoest door een bomaanslag. Badde heeft zijn bevindingen gepubliceerd in de Frankfurter Allgemeine van 23 april 1993. Maar veel heeft dat niet uitgehaald. De tekst verschijnt nog steeds zonder auteursnaam. 'Er veranderde niets, niets hielp', schrijft Badde.

Het geschrift van Kolitz werd geprezen door sterk uiteenlopende auteurs als Thomas Mann, Isaac Bashevis Singer en Wolf Biermann. In 1962 wijdde de filosoof Emmanuel Levinas een beroemd geworden essay aan de tekst: 'Meer van de tora houden dan van God'. Levinas is evenals Kovitz van Litouws-joodse oorsprong. Hij ontdekte het geschrift toen het verscheen in Franse vertaling. Hoewel ook deze uitgave de auteursnaam van Kovitz niet vermeldde, besefte Levinas onmiddellijk dat het hier fictie betrof. "Wij hebben zojuist een mooie en ware tekst gelezen", schrijft hij, 'z waar als alleen een fictie kan zijn.'

Wat is dit voor een tekst? Hij bevat een monoloog tegen God van de fictieve Josl Rakover, afkomstig uit Tarnopol, die in het begin van de oorlog met duizenden anderen onder spervuur van Duitse vliegtuigen naar Warschau is gevlucht en daar wordt opgesloten in het getto. Zijn vrouw en zes kinderen zijn vermoord. Hij neemt deel aan de opstand die in april 1943 uitbreekt in het getto wanneer ook de overgebleven 60.000 joden naar Treblinka dreigen te worden gevoerd. We treffen Rakover aan op een verdieping in een van de weinige huizen die nog niet in brand staan. De opstand is bijna bedwongen door de Duitsers. Zijn elf medestrijders zijn dood. Ook hij zal binnen zeer korte tijd dood zijn. Hij benut die tijd door een brief te schrijven die hij zich voorneemt te verstoppen in een leeg benzineflesje tussen de bakstenen van zijn kamer.

Die brief is gericht aan zijn God. 'Ik geloof in de God van Isral, ook al heeft Hij alles gedaan om mij niet in Hem te laten geloven.' Maar zijn verhouding tot God is veranderd. Vroeger was hij Hem voortdurend iets verschuldigd, maar 'nu ik voel dat Hij mij ook iets verschuldigd is, denk ik dat ik het recht heb Hem te vermanen'. 'Ik buig mijn hoofd voor Zijn grootheid, maar ik zal niet de stok kussen waarmee Hij mij slaat. Ik heb Hem lief, maar Zijn tora heb ik meer lief, en zelfs al zou ik teleurgesteld in Hem zijn, dan zou ik nog Zijn tora beschermen.'

Rakover weet heel zeker dat de gruwelen die de joden treffen niet een straf voor hun zonden zijn. Hij vraagt God 'of er n zonde op de wereld is die een straf waard is zoals wij die nu gekregen hebben'. 'Ik geloof dat we, als we zeggen dat wij de klappen die we hebben gekregen verdiend hebben, onszelf belasteren. Wie zichzelf belastert, belastert God.'

Hij begrijpt dat het 'een tijd is van hastores ponem, een tijd waarin God Zijn gezicht verborgen houdt'. Daardoor zijn de mensen aan hun wilde driften overgeleverd. Degenen in wie het goddelijke en reine vertegenwoordigd is, zijn de eerste slachtoffers. Rakover bedenkt dat de God van de joden de God van de vergelding is. 'Onze tora staat vol met dreigingen met de dood voor de kleinste zonden, maar de talmoed zegt dat wanneer het Sanhedrin - de hoogste rechtspraak van ons volk toen het nog vrij in zijn eigen land leefde - eens in de zeventig jaar een terdoodveroordeling uitsprak, dit genoeg was om de rechters moordenaars te noemen'. De God van de Europese volkeren echter is een God van liefde en 'toch vermoorden ze ons dagelijks meedogenloos, al bijna tweeduizend jaar lang'. De wrekende God heeft zachtmoedigheid gecreerd en de liefdevolle God haat en wreedheid.

Levinas legt uit dat in de monoloog van Rakover de verandering zichtbaar wordt van het zich toevertrouwen aan een kinderlijke God - 'een geborneerde geest en vreemde tovenaar' - naar het vertrouwen in een God voor volwassenen. Voor hen die, zoals veel christenen, geloofden in 'een nogal primitieve god die in zijn goedheid de mensen als eeuwige kinderen behandelde, prijzen uitreikte, straffen oplegde of fouten vergaf', is de hemel na de sjoa leeg. Maar voor Rakover openbaart zich juist dr de leegte van de kinderlijke hemel een God voor volwassenen. De God die Zijn gelaat verbergt, die het meest gruwelijke laat gebeuren zonder in te grijpen, doet een beroep op de werkelijke volwassenheid van de volledig verantwoordelijke mens, schrijft Levinas. Een mens die 'alle verantwoordelijkheden van God op zijn schouders moet voelen'. Een mens die alleen nog in zijn geweten de overwinning kan behalen, een gerechtigheid zonder zege.

Deze God die zijn gelaat bedekt komt van binnenuit. Rakover zegt dat hij nu meer in God gelooft dan ooit, ``omdat ik nu weet dat je mijn God bent, want God, het kan toch niet zo zijn dat je de God bent van degenen wier daden het gruwelijkste bewijs zijn van agressieve goddeloosheid?'' Nog meer dan op dat innerlijke weten berust het vertrouwen in God op de tora en op het onderricht daarin. Daarom zegt Rakover de tora meer lief te hebben dan God.

In het jodendom, schrijft Levinas, is de verhouding tussen God en mens geen op het gevoel gebaseerde gemeenschap in de liefde van een God die mens wordt. 'Zij is een relatie tussen geesten door bemiddeling van een onderricht, door de tora.' En juist doordat de God van de tora veeleisend is, komen volgens Levinas 'de ware menselijkheid van de mens en zijn mannelijke tederheid in de wereld'. God is niet concreet door mens te worden, zoals in het christendom, maar door de Wet. Zodoende maakt hij volwassen mensen mogelijk: ``Zijn gelaat bedekken om van de mens - op bovenmenselijke wijze - alles op te eisen, een mens scheppen die in staat is om zijn God als schuldeiser en niet voortdurend als schuldenaar aan te klampen - dt is waarachtig goddelijke grootheid!'

'Wat moet er nog gebeuren', vraagt Rakover aan God, 'voordat je je gezicht weer aan de wereld laat zien? (...) En ik wil je nog iets zeggen: trek de strop niet te veel aan, want hij kan knappen.'' Daarop gebiedt Rakover God allen te vergeven die zich van Hem hebben afgekeerd, en niet zozeer de moordenaars te straffen - want die hebben uiteindelijk zichzelf getroffen 'omdat de wereld vermoord is in de moord op Isral' - maar dubbel zwaar degenen die de moord verzwijgen of de moord met hun mond veroordelen maar zich er in hun hart over verheugen. Want de laatsten zijn niet bang voor God, maar alleen voor wat de mensen zullen zeggen. Het geschrift eindigt met de zin: 'In jouw handen, God, leg ik mijn ziel.'