Organische eenheid-in-verscheidenheid

Prof. dr. Ulrich Libbrecht

RELIGIE ALS OPPERVLAKTESTRUCTUUR

Shakespeare zegt: "De geur van de roos verandert niet als je haar naam verandert". Dit gezegde zou ons moeten helpen om steeds het onderscheid voor ogen te houden tussen de ervaarbare geur (de dieptestructuur) en de bespreekbare naam (de oppervlaktestructuur), waarmee deze in een bepaalde cultuurcontext wordt aangeduid en nader beschreven in haar verschijningsvorm. Geloven wordt nog veel te veel beschouwd als propedeuse tot het rationeel verklaren (credo ut intelligam), of als het zich neerleggen bij a-rationaliteiten (credo quia absurdum), in de plaats van als 'love', het houden van de geur van de roos.

Religie is als oppervlaktestructuur steeds ingebed in een culturele context. In deze context wordt het onnoembare Mysterie 'verbeeld' in symbolen en de omgang met het heilige in liturgieŰn. Paul Tillich betoogt dat 'God' een naam is voor de oneindige en onuitputtelijke diepte en grond van het zijn': "Die diepte is wat het woord God betekent. En als dat woord voor u niet veel inhoud heeft, vertaal het en spreek van de diepte van uw leven, van de bron van uw wezen, van uw einddoel, van wat u zonder enig voorbehoud ernstig neemt. Om dat te kunnen moet u wellicht alles vergeten wat u gewoontegetrouw over God hebt geleerd, misschien zelfs wel het woord zelf", Uitgaande van de grondidee dat het Mysterie per definitie onkenbaar en onbeschrijfbaar is en wetend dat de zuivere ervaring ervan, de 'unio mystica', een uiterst zeldzame bewustzijnssituatie aanduidt, proberen wij er bij middel van 'verbindende tekens' mee in relatie te treden, en daardoor onze 'Stimmung' te laten 'stimmen' door een bepaald facet van de alter-intentionaliteit. Ook onze concepten zijn dan niet meer dan dat soort tekens. In feite is ook het concept 'God' en het woord 'God' niet meer dan een teken dat verbindt met de werkelijkheid 'God'.

Maar hoe ontstaan dan deze symbolen? Wij kunnen alleen tekens ontwerpen - in een visionaire eidetische act weliswaar - vanuit het beeld dat we van onszelf hebben, al onze verbeeldingen zijn in feite metaforen van de fenomenaliteit. Het is dus in zekere zin waar dat de mens 'God' - als godsbeeld - heeft geschapen naar zijn eigen beeld en gelijkenis.

Uitgangspunt hierbij is dat het 'Mysterium mundi' voor onze rationaliteit altijd zal blijven: 'x ignotum', 'sunyata' (=conceptuele leegte), 'deus absconditus'. Anderzijds is het voor de religieuze mens de 'real reality'. Bij de mens is duidelijk een drang aanwezig om achter de fenomenaliteit op zoek te gaan naar de echte realiteit, vooral als hij de wereld der verschjjnselen als een maya-wereld, een schijnwereld beschouwt. Een realiteitsbewustzijn dat de verzameling van de fenomenen (de golven op de oceaan) als reŰel beschouwt, bedriegt zichzelf.

Bij de zoektocht naar de diepere realiteit (die van de oceaan) treedt het Mysterie zelf op als Grote Attractor. Het is immers de oceaan die de golven genereert, of het absolute dat de fenomenen doet ontstaan. Of we dit schepping noemen of emanatie of quantenfluctuatie van het Niets, hangt samen met het beeld dat we ons van dit absolute vormen: een persoonlijke god, het brahman of het homogene energieveld.

Het Mysterie heeft niet alleen de golven gegenereerd, het trekt ook in een overweldigend kosmisch gebeuren alles weer naar zich toe: het is niet alleen de Grote Emanator, maar ook de Grote Attractor. Dit kosmisch proces heeft zijn (voorlopig) culminatiepunt in de mens gevonden. Na een lange evolutie is er een wezen ontstaan dat door het Mysterie 'gestemd' wordt en zo in een zelftrancendente beweging betrokken wordt op dit Mysterie, dat zich aandient als het Andere.

Dit Andere is ons onder verschillende vormen bekend:

1. als het andere. Als dusdanig drukt het zich uit in de Natuur, die als een 'vanzelf zo' wordt ervaren, een mysterie dat voor ons verstand slechts gedeeltelijk peilbaar is. Chuang-tse zegt: "Het is te danken aan het feit dat uw voeten op aarde maar een kleine plaats innemen, dat er zoveel ruimte is waar je kan in rondwandelen; het is te danken aan het feit dat uw verstand maar in zo weinig dingen kan doordringen, dat je weet wat het Mysterie van het bestaan is." Aldus ontstaat een op de natuur betrokken vorm van religiositeit, die theologisch ge´nterpreteerd wordt als panthe´sme of pan-en-the´sme, als de leer van 'deus sive natura'. Het Chinese tao´sme is het duidelijkste voorbeeld van een natuurreligie: de sacraliteit van het bestaan ligt in de kosmos zelf en drukt zich daarin uit als de ondoorgrondelijke dynamiek van het Tao. Religieus leven bestaat er dan ook in met dit mysterie in resonantie te blijven en zijn ordepatronen niet te verstoren Deze vorm van religie, die eigen is aan zogenaamde natuurvolkeren, is vrij gemakkelijk toegankelijk, omdat wij omgeven zijn door het mysterie van de natuur zelf.

2. als de andere. Als dusdanig drukt het zich uit in het mysterie van de mens als persoon.

Het meest wonderlijke is dat elke mens een eigenheid is, onderscheidbaar van alle anderen, en dus met een specifiek t'ien-ming, een bevel van de hemel. Dit bewustzijn persoon te zijn, dit persoon-lijkheidsgevoel, wordt overgedragen op het Mysterie zelf, dit dient zich dan aan als een persoonlijke god. Zoals mensen wetten opleggen aan mensen, legt God zijn eeuwige wet op aan de mensheid. De zuiverste vorm van deze personalisatie van het Mysterie vinden we in het monothe´sme. Dit laatste wordt verder ingekleurd door de culturele traditie: zo is de God van de bijbel aanvankelijk voorgesteld als een koning der koningen, een beeld dat later uitgezuiverd wordt bij de profeten; in het christendom wordt hij een vader, in de Islam wordt hij eigenschapsloos.

3. als 'das ganz Andere' (Rudolf Otto). Wanneer men in relatie treedt tot het Zijn (Dat is het Zijn dat ook het Worden omvat, het dynamische zijn dus, waarin het statische zijn uitsluitend gezien wordt als overgangsmoment in het proces van het worden. ) in zijn totaliteit, bevindt men zich op het domein van de mystiek die men oneindigheidsmystiek noemt. Hier probeert men een eenheidservaring met de eigen diepste natuur, met de eigen boeddhanatuur te realiseren. Deze boeddhanatuur is ÚÚn met het Mysterie zelf zoals de natuur van elke golf de oceaan is. Dit is de kerngedachte van de Vedanta, die leert dat atman identiek is aan brahman; van het boeddhisme, dat leert dat anatman identiek is met sunyata en van de westerse mystick die de 'unio mystica' met God kent.

Het is duidelijk dat er tussen deze drie fundamentele godsbeelden vele overgangsvormen bestaan, die we hier alleen even opsommen: mana, devata, polytheos, henotheos, monotheos, deitas (brahman), adeitas, (Nicht-gott), N-iets (sunyata). Ook bestaan er brugvormen: het andere en de andere worden gecombineerd in het Ierse christendom en misschien ook bij Franciscus en Giordano Bruno; het andere en 'das ganz Andere' bij de Zenboeddhisten; de andere en 'das ganz Andere' in de christelijke mystiek en in de soefi-mystiek.

Op grond van de plasticiteit van de transcendente 'Stimmung' word ik door deze verschillende 'Gestaltungen' van het Mysterie telkens anders gestemd: nu eens 'deus sive natura', dan 'deus revelatus', dan weer 'deus absconditus'. Precies omwille van mijn wisselende stemming is - vanuit bet standpunt van comparatieve filosofie benaderd - geen enkel van deze godsbeelden exclusief. Vanuit filosofisch standpunt, dat uiteraard sterk verschilt van het religieus standpunt, zijn ze zonder meer compatibel. Alleen als er 'theologische verharding' optreedt, verdwijnt de soepelheid en treedt exclusivisme op. Ook wanneer ik op grond van culturele traditie voor ÚÚn van deze godsbeelden gekozen heb, kan ik best aannemen en waarderen dat men in een andere traditie voor een ander beeld gekozen heeft, en stel mij derhalve noch agressief, noch gelijkhebberig, noch proselitisch op tegenover andersdenkenden. Ik weet immers dat, wanneer ik volmaakt religieus zou zijn, d.w.z. de totaalervaring van het Mysterie zou hebben, ik zou erkennen dat "er in het huis mijns vaders vele woningen zijn". Vermits ik dit niet ben, leef ik toch in het besef dat het godsbeeld dat ik op een bepaald moment kies, afhankelijk is van de stemming waarin ik mij bevind, en dat deze stemming zeer wisselend is. Ook leef ik in het besef dat de context waarin ik mij bevind bepalend is voor het godsbeeld waarin ik mij het sterkst geborgen voel: het is voor mij een 'heim' binnen in het grote Ge-heim. Maar een filosoof is veroordeeld tot 'heimatlooslheid'. althans in zijn denken.

Het beeld dat voor mij relevant is, heeft meestal te maken met de eigen geestelijke situatie. Als ik mij bevind in het mysterie van de kosmos, waarvan de omringende natuur slechts een bescheiden deel is, dan ontstaat bij mij een natuurreligiositeit.

Deze kan panthe´stisch of pan-enthe´stisch zijn. Vanuit mijn existentiŰle situatie als persoon en geconfronteerd met de grenssituaties van het leven verbeeld ik het Mysterie als een Persoon waarmee ik in relatie kan treden. Deze existentiŰle situatie wordt pas alter-intentioneel wanneer ik mijn eigenheid niet opvat als een individu, dat in zijn immanentie altijd ego-intentioneel is, maar als een persoon, die vanuit zijn eigenheid een transcendente opdracht heeft. Bij de mystieke ervaring treedt mijn eigen boeddhanatuur op de voorgrond en ontstaat een ervaring die men traditioneel als 'nirvana' aanduidt, d.i. uitblussing van de individualiteit in anatman en van de duiding van het Mysterie in sunyata, de leegte.

Maar ook de revelatie van het Mysterie krijgt claarbij onderscheidbare aspecten. Wij moeten ons altijd goed realiseren dat, moest de oceaan niet golven, d.w.z. zichzelf niet leesbaar maken, men het bestaan van de oceaan niet eens zou kennen.

In the´stische termen betekent dit dat, moest God niet geschapen hebben, er eigenlijk geen 'god' zou bestaan, omdat niemand dit Mysterie zou kunnen waarnemen of ervaren. Het Mysterie heeft zich eerst en vooral geopenbaard in de schepping of emanatie, die Novalis terecht de oeropenbaring noemt; dit revelatorisch proces gaat nog steeds door in de evolutie. Daarom, kan men - met een beeld - zeggen dat de kosmos Gods buitenkant is. De openbaring stricto sensu, hetzij als propositionele hetzij als heilshistorische intentionele openbaring, vindt steeds haar neerslag in heilige boeken, zoals de Bijbel, de Koran en de Veda. In de oosterse mystiek wordt ook de plots geschonken persoonlijke verlichting als een openbaring van het Mysterie ge´nterpreteerd. 

ę 2000 Tßhirih Instituut