Op 6 maart 1937 is Rudolf Otto na een verdrietig verblijf in het ziekenhuis heengegaan. De chronische malaria, uit de tropen meegebracht, was de prijs voor zijn door eigen ervaring verworven godsdienstig inzicht. Zijn graf, hoog op de berg met een ver uitzicht, is passend voor deze gestalte wiens geest boven het aardse uitrees.

 

Heilig, heilig, heilig ist der Herr Zebaoth!
Holy, holy, holy is the Lord of hosts!

Zijn dodenmasker, afgenomen door de beeldhouwer Reinhard Paffrath in Marburg, ademt een wijde vrede, een stille verhevenheid:

 

'Rudolf Otto ist ein Meister gewesen. Er ist ein Entdecker gewesen. Anders als durch die Mühsal des bergsteigens gelangt keiner in die Region der Erhabenheit, noch gewinnt sein Auge jenen innerlichen Blick, der Rudolf Otto ausgezeichnet hat.'