Nathan Söderblom

Voor de relatie tussen theologische en godsdienstwetenschappelijke vraagstellingen in de tijd tussen de beide wereldoorlogen is, met name in het Duitse taalgebied, Nederland en Scandinavië, de invloed van enkele theologisch gevormde beoefenaars van de godsdienstwetenschap van belang geweest.
Nathan Söderblom (1866-1931) zag het gevoel voor het heilige en het onvoorwaardelijke als kenmerk van alle echte religie. Naar zijn mening dragen alle religies deze beide kenmerken; om die reden vormen zij een eenheid en zijn ze 'religie'. De verschillende religies krijgen een eigen geschiedenis naarmate zij een eigen gemeenschap vormen; daarmee worden zij historische religies. Religie als zodanig is echter méér dan geschiedenis,: de mystiek staat bijvoorbeeld geheel buiten de geschiedenis, terwijl de profeten de geschiedenis omgekeerd juist als een onderdeel van de religie beschouwen; de geschiedenis wordt door hen nu eenmaal als handelen Gods gezien. Söderblom maakt in de geschiedenis van de religies dan ook een duidelijk onderscheid tussen enerzijds mystieke en anderzijds profetische religie.
Voor Söderblom stond het vast dat de godsdiensthistoricus in de religies de doorwerking van de ene goddelijke werkelijkheid kan waarnemen, hetzij als een goddelijke zelfopenbaring, hetzij als een menselijke godservaring. Onder dit gezichtspunt kwam voor Söderblom de algemene godsdienstgeschiedenis in de plaats van de natuurlijke theologie en werd de godsdienstgeschiedenis dus een theologisch vak.
Söderblom werkte voor de oecumene van de christelijke kerken.

Rudolf Otto

Belangrijk voor deze tussenperiode is ook de invloed van Rudolf Otto (1869-1937). Hij bouwde de leer van Troeltsch betreffende het religieuze apriori theologisch uit in de zin van het religieuze gevoel, en hij staat daarmee in de traditie van Schleiermacher. Op grond van het religieuze gevoel is het mogelijk de religieuze verschijnselen ondanks hun veelsoortigheid toch als een eenheid te begrijpen. Deze eenheid van alle religie en van al het religieuze is voor Otto filosofisch en theologisch gegeven met de categorie van het heilige, die hij naast de kantiaanse categorieën van het ware, goede en schone stelt, die bij alle mensen aangeboren zouden zijn. Het heilige bestaat niet alleen subjectief maar ook objectief en het wordt in de religieuze ervaring van het 'numineuze' door de mens als iets volstrekt anders, ja eigenlijk als hét Volstrekt Andere beleefd.
Voor Rudolf Otto bezit dus de spontane religieuze ervaring eenzelfde zelfstandigheid als het ethische en esthetische. Zij onderscheidt zich van andere ervaringen door specifieke gevoelsreacties en in het bijzonder door het daarbij optredende bewustzijn van de mens, schepsel te zijn. Aan de godsdienstwetenschappelijke onderzoeker valt uiteindelijk de taak ten deel om door een eigen devinatie het heilige in het onderzochte religieuze verschijnsel te onderkennen. Otto fundeerde dit devinatievermogen in het religieuze apriori. Door devinatie heeft de onderzoeker toegang, niet alleen tot uitdrukkingsvormen van religieuze ervaringen in de eigen en in andere religies, maar ook tot de grond van deze ervaringen zelf, dat wil zeggen tot het heilige. De idee van het heilige in het onderzoek van religies zou volgens Otto theologisch als de idee van het goddelijke moeten worden opgevat. Het heilige is wezenlijk niet-rationeel, maar het wordt met name in de theologie in rationele vorm uitgedrukt. De irrationele aspecten verdwijnen daarmee echter niet en doen zich in de religieuze ervaring steeds weer gelden.
Rudolf Otto zette zich in voor het wederzijdse begrip van religies in het algemeen.

Gerardus van der Leeuw

In dit verband moet ook de Nederlander Gerardus van der Leeuw (1890-1950) worden vermeld. Hij is vooral bekend als een godsdienstfenomenoloog van neoromantisch stempel, die het verstaan van een religieus verschijnsel opvatte en nastreefde als een persoonlijke ervaring die de onderzoeker bewust tot stand moet laten komen. Zoals Söderblom de algemene godsdienstgeschiedenis in de plaats van de natuurlijke theologie stelde, zo deed Gerardus van der Leeuw dat met de godsdienstfenomenologie. Deze laatste zag hij als de theologische discipline in brede zin, en wel als een tussenfase tussen de 'feitenverklarende' filologische en historische theologie enerzijds en de 'waarheidsdoorlichtende' dogmatisch-systematische theologie anderzijds.
Als' begrijpende' wetenschap probeert de fenomenologie in de bonte, ja chaotische wereld van de religieuze verschijnselen zinstructuren en zinsamenhangen bloot te leggen. Religie werd door Van der Leeuw opgevat als een confrontatie van de mens met een macht die hem te boven gaat en die zich aan hem openbaart, dus als een grenssituatie van het menselijk bestaan. Evenals voor Söderblom en Rudolf Otto, onderstelt religie ook voor Van der Leeuw openbaring. Van der Leeuw heeft zich verder behalve met de godsdienstgeschiedenis - met name van Egypte en Griekenland - ook intensief beziggehouden met de bestudering van religieuze kunst en de liturgie.

Jacques Waardenburg: Religie onder de loep (Religionen und Religie, 1986), Systematische inleiding in de godsdienstwetenschap, Baarn 1990

Prof. dr. Pieter Hendrik Jacques Waardenburg is hoogleraar godsdienstwetenschappen aan de universiteit van Lausanne